Last modified on 15 April 2014, at 20:32

kakken

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch cacken, probably from Latin cacare 'to defecate, soil', either way presumably ultimately sound imitative

PronunciationEdit

VerbEdit

kakken (past singular kakte, past participle gekakt)

  1. (intransitive) To defecate
  2. (transitive) To (secrete) shit (notably solids)
  3. (intransitive) To trot slowly, lustlessly

ConjugationEdit

Related termsEdit

kakkenestje? (zie KAKKENEST).

  • in de kindertaal, of in de taal van de kinderkamer, gevoegd voor den naam van een persoon op wien men boos is: ”vieze, stoute.” Verg. kakke-Nentje en kakketaat (taat bet. vader), in de volgende voorbeelden.

Laet mense (de kinderen) staen krijten, soo hebme 't Wijf weer ant temen, Siet dien Bul, hy en vermach sijn eygen Kyeren niet, En lierender van joncx op kacketaet, bildt jou taet, en sulck onthiet, FRANSSOON, G. Wouters 17 [1623].