kakken

Dutch

Etymology

From Middle Dutch cacken, probably from Latin cacare 'to defecate, soil', either way presumably ultimately sound imitative

Verb

kakken

  1. (intransitive) To defecate
  2. (transitive) To (secrete) shit (notably solids)
  3. (intransitive) To trot slowly, lustlessly

Conjugation

Related terms

  • bekakt (adjective)
  • kak m
  • kakhuis n
  • kouwe kak m
  • bekakken (verb)
  • kakaard, kakkerd m
  • kakker, kakkere m
  • kakkerij
  • kakking
  • kaksel n
  • kakmaklijk, in Jan Kakmaklijk
  • kakstaande, in Jantje Kakstaande
  • dukatenkakker m
  • kralenkakker, eene soort van vlinder (De Gids, 1907, IV, 207)
  • krentenkakker m
  • kakschool
  • kakstoel m
  • kakbroek m
  • kakdarm
  • kakkerte m
  • kakkloot m
  • kakkont(e)
  • kakpot m
  • kakspaan, mv. kakspanen pl, gewestel. voor: bil, (de) billen
  • kakstil(le)
  • kakteil
  • kakverzen, kack-verssen. j. Kack-hiele, KIL.
  • kakwangen pl, benaming voor: ”de billen van een mensch”
  • kakzetel m
  • kakkedoor m
  • kakkeman m

kakkenestje? (zie KAKKENEST).

  • in de kindertaal, of in de taal van de kinderkamer, gevoegd voor den naam van een persoon op wien men boos is: ”vieze, stoute.” Verg. kakke-Nentje en kakketaat (taat bet. vader), in de volgende voorbeelden.

Laet mense (de kinderen) staen krijten, soo hebme 't Wijf weer ant temen, Siet dien Bul, hy en vermach sijn eygen Kyeren niet, En lierender van joncx op kacketaet, bildt jou taet, en sulck onthiet, FRANSSOON, G. Wouters 17 [1623].

  • uitkakken (verb)
  • aankakken (verb)
  • nederkakken (verb)
  • wegkakken (verb)
↑Jump back a section

Read in another language

This page is available in 2 languages

Last modified on 7 March 2013, at 16:19