Dutch edit

Etymology edit

op +‎ slaan

Pronunciation edit

  • (file)

Verb edit

opslaan

  1. to save, to store (a file, page)
  2. to increase (e.g. of prices)
    De prijzen zijn alweer opgeslagen.
    The prices have increased again.

Inflection edit

Inflection of opslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive opslaan
past singular sloeg op
past participle opgeslagen
infinitive opslaan
gerund opslaan n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla op sloeg op opsla opsloeg
2nd person sing. (jij) slaat op sloeg op opslaat opsloeg
2nd person sing. (u) slaat op sloeg op opslaat opsloeg
2nd person sing. (gij) slaat op sloegt op opslaat opsloegt
3rd person singular slaat op sloeg op opslaat opsloeg
plural slaan op sloegen op opslaan opsloegen
subjunctive sing.1 sla op sloege op opsla opsloege
subjunctive plur.1 slaan op sloegen op opslaan opsloegen
imperative sing. sla op
imperative plur.1 slaat op
participles opslaand opgeslagen
1) Archaic.

Derived terms edit

Descendants edit

  • Afrikaans: opslaan

Anagrams edit