bijzitster

DutchEdit

EtymologyEdit

From bijzitten +‎ -ster.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈbɛi̯ˌzɪt.stər/
  • Hyphenation: bij‧zit‧ster

NounEdit

bijzitster f (plural bijzitsters, diminutive bijzitstertje n)

  1. concubine
    Synonyms: bijvrouw, bijwijf, bijzit