See also: nátiě

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

NounEdit

natie f ‎(plural naties or natiën, diminutive natietje n)

  1. nation
  2. (by extension, historical) early modern student society, organised by region or nation of origin
    • 1997, C.M. Ridderikhoff, "Het academisch leven in de Republiek. Een breuk met middeleeuwse tradities?", in Universitaire folklore en rituelen: Symposium van de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Utrecht op 21 juni 1996, Utrechtse Historische Cahiers, 18, issue 1, 16.
      Zij waren namelijk afsplitsingen van een groter geheel, als het ware universitates binnen de universitas, volledig toegerust met alle insignia die bij een onafhankelijke vereniging behoorden: eigen voorzitters, pedellen, een fiscus, een zegel, en in één geval, de Germaanse natie aan de universiteit van Orléans, zelfs toegerust met een eigen bibliotheek.
    • 2014, Benjamin B. Roberts, Seks, drugs en Rock 'n Roll in de Gouden Eeuw, AUP.
      Dit blijkt uit een geval in 1652, toen de Groningse student Karel Vijgh weigerde om lid van de Gelders-Overijsselse natie te worden.

ItalianEdit

AdjectiveEdit

natie

  1. feminine plural of natio

AnagramsEdit