stommiteit

DutchEdit

EtymologyEdit

From stom +‎ -iteit.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌstɔ.miˈtɛi̯t/
  • (file)
  • Hyphenation: stom‧mi‧teit
  • Rhymes: -ɛi̯t

NounEdit

stommiteit f (plural stommiteiten, diminutive stommiteitje n)

  1. (countable) a stupidity, a stupid action
  2. (uncountable, rare) stupidity, the quality of being stupid
    • 1846 March 2, "Geen ezel" (pseudonym), "Arrondissements-Regtbank te Middelburg" (continued), Vlissingsche Courant, No. 29 (1846 March 9), page 2.
      Wij wenschten gaarne dienaangaande eenig uitsluitsel te hebben, want wij in onze stommiteit, weten dit maar niet te begrijpen.
      (please add an English translation of this quote)

DescendantsEdit

  • West Frisian: stommiteit