Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Hyphenation: tijd‧stip

EtymologyEdit

From tijd(time) +‎ stip(dot).

NounEdit

tijdstip n ‎(plural tijdstippen, diminutive tijdstipje n)

  1. moment in time, time of day.
    Op dat tijdstip sliep ik nog.
    I was still sleeping at that time.
    Ondanks het late tijdstip was het nog erg druk op straat.
    Despite the late hour the streets were still very crowded.