tijdstip

DutchEdit

EtymologyEdit

tijd + stip

PronunciationEdit

Hyphenation: tijd‧stip

NounEdit

tijdstip n (plural tijdstippen, diminutive tijdstipje n)

  1. moment in time, time of day.
    Op dat tijdstip sliep ik nog.
    I was still sleeping at that time.
    Ondanks het late tijdstip was het nog erg druk op straat.
    Despite the late hour the streets were still very crowded.
Last modified on 18 April 2014, at 03:35