Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgebeeld

  1. past participle of afbeelden

DeclensionEdit

Inflection of afgebeeld
uninflected afgebeeld
inflected afgebeelde
comparative
positive
predicative/adverbial afgebeeld
indefinite m./f. sing. afgebeelde
n. sing. afgebeeld
plural afgebeelde
definite afgebeelde
partitive afgebeelds