Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgekeken

  1. past participle of afkijken

DeclensionEdit

Inflection of afgekeken
uninflected afgekeken
inflected afgekeken
comparative
positive
predicative/adverbial afgekeken
indefinite m./f. sing. afgekeken
n. sing. afgekeken
plural afgekeken
definite afgekeken
partitive afgekekens