Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgeschrikt

  1. past participle of afschrikken

DeclensionEdit

Inflection of afgeschrikt
uninflected afgeschrikt
inflected afgeschrikte
comparative
positive
predicative/adverbial afgeschrikt
indefinite m./f. sing. afgeschrikte
n. sing. afgeschrikt
plural afgeschrikte
definite afgeschrikte
partitive afgeschrikts