Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgespeeld

  1. past participle of afspelen

DeclensionEdit

Inflection of afgespeeld
uninflected afgespeeld
inflected afgespeelde
comparative
positive
predicative/adverbial afgespeeld
indefinite m./f. sing. afgespeelde
n. sing. afgespeeld
plural afgespeelde
definite afgespeelde
partitive afgespeelds