Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgevaardigd

  1. past participle of afvaardigen

DeclensionEdit

Inflection of afgevaardigd
uninflected afgevaardigd
inflected afgevaardigde
comparative
positive
predicative/adverbial afgevaardigd
indefinite m./f. sing. afgevaardigde
n. sing. afgevaardigd
plural afgevaardigde
definite afgevaardigde
partitive afgevaardigds