Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgewacht

  1. past participle of afwachten

DeclensionEdit

Inflection of afgewacht
uninflected afgewacht
inflected afgewachte
comparative
positive
predicative/adverbial afgewacht
indefinite m./f. sing. afgewachte
n. sing. afgewacht
plural afgewachte
definite afgewachte
partitive afgewachts