bevrijd

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -ɛi̯t

VerbEdit

bevrijd

  1. first-person singular present indicative of bevrijden
  2. imperative of bevrijden

ParticipleEdit

bevrijd

  1. past participle of bevrijden

DeclensionEdit

Inflection of bevrijd
uninflected bevrijd
inflected bevrijde
positive
predicative/adverbial bevrijd
indefinite m./f. sing. bevrijde
n. sing. bevrijd
plural bevrijde
definite bevrijde
partitive bevrijds