onoverwinnelijk

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

on- ‎(un-) +‎ overwinnen ‎(conquer) +‎ -lijk ‎(-able)

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

onoverwinnelijk ‎(comparative onoverwinnelijker, superlative onoverwinnelijkst)

  1. invincible

DeclensionEdit

Inflection of onoverwinnelijk
uninflected onoverwinnelijk
inflected onoverwinnelijke
comparative onoverwinnelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial onoverwinnelijk onoverwinnelijker het onoverwinnelijkst
het onoverwinnelijkste
indefinite m./f. sing. onoverwinnelijke onoverwinnelijkere onoverwinnelijkste
n. sing. onoverwinnelijk onoverwinnelijker onoverwinnelijkste
plural onoverwinnelijke onoverwinnelijkere onoverwinnelijkste
definite onoverwinnelijke onoverwinnelijkere onoverwinnelijkste
partitive onoverwinnelijks onoverwinnelijkers
Read in another language