ontroerd

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -uːrt

AdjectiveEdit

ontroerd (comparative ontroerder, superlative ontroerdst)

  1. moved, touched emotionally

InflectionEdit

Inflection of ontroerd
uninflected ontroerd
inflected ontroerde
comparative ontroerder
positive comparative superlative
predicative/adverbial ontroerd ontroerder het ontroerdst
het ontroerdste
indefinite m./f. sing. ontroerde ontroerdere ontroerdste
n. sing. ontroerd ontroerder ontroerdste
plural ontroerde ontroerdere ontroerdste
definite ontroerde ontroerdere ontroerdste
partitive ontroerds ontroerders

ParticipleEdit

ontroerd

  1. past participle of ontroeren

InflectionEdit

Inflection of ontroerd
uninflected ontroerd
inflected ontroerde
positive
predicative/adverbial ontroerd
indefinite m./f. sing. ontroerde
n. sing. ontroerd
plural ontroerde
definite ontroerde
partitive ontroerds