Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

ontstaand

  1. present participle of ontstaan

DeclensionEdit

Inflection of ontstaand
uninflected ontstaand
inflected ontstaande
comparative
positive
predicative/adverbial ontstaand
ontstaande
indefinite m./f. sing. ontstaande
n. sing. ontstaand
plural ontstaande
definite ontstaande
partitive ontstaands