pluimstrijkend

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

ParticipleEdit

pluimstrijkend

  1. present participle of pluimstrijken

DeclensionEdit

Inflection of pluimstrijkend
uninflected pluimstrijkend
inflected pluimstrijkende
positive
predicative/adverbial pluimstrijkend
pluimstrijkende
indefinite m./f. sing. pluimstrijkende
n. sing. pluimstrijkend
plural pluimstrijkende
definite pluimstrijkende
partitive pluimstrijkends

AdjectiveEdit

pluimstrijkend (not comparable)

  1. sycophantic

InflectionEdit

Inflection of pluimstrijkend
uninflected pluimstrijkend
inflected pluimstrijkende
comparative
positive
predicative/adverbial pluimstrijkend
indefinite m./f. sing. pluimstrijkende
n. sing. pluimstrijkend
plural pluimstrijkende
definite pluimstrijkende
partitive pluimstrijkends