volstaan

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch volstaen, equivalent to vol +‎ staan. Compare Middle Low German vulstān ‎(to persevere, guarantee, stand through), Old High German follastēn ‎(to stand through, persevere).

PronunciationEdit

VerbEdit

volstaan ‎(past singular volstond, past participle volstaan)

  1. to suffice

ConjugationEdit

Inflection of volstaan (strong class 6, irregular, prefixed)
infinitive volstaan
past singular volstond
past participle volstaan
infinitive volstaan
gerund volstaan n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular volsta volstond
2nd person sing. (jij) volstaat volstond
2nd person sing. (u) volstaat volstond
2nd person sing. (gij) volstaat volstondt
3rd person singular volstaat volstond
plural volstaan volstonden
subjunctive sing.1 volsta volstonde
subjunctive plur.1 volstaan volstonden
imperative sing. volsta
imperative plur.1 volstaat
participles volstaand volstaan
1) Archaic.

ParticipleEdit

volstaan ‎(not used adjectivally)

  1. past participle of volstaan
Read in another language