wijdend

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

ParticipleEdit

wijdend

  1. present participle of wijden

DeclensionEdit

Inflection of wijdend
uninflected wijdend
inflected wijdende
positive
predicative/adverbial wijdend
wijdende
indefinite m./f. sing. wijdende
n. sing. wijdend
plural wijdende
definite wijdende
partitive wijdends

AnagramsEdit