Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

aangeschaft

  1. past participle of aanschaffen

DeclensionEdit

Inflection of aangeschaft
uninflected aangeschaft
inflected aangeschafte
comparative
positive
predicative/adverbial aangeschaft
indefinite m./f. sing. aangeschafte
n. sing. aangeschaft
plural aangeschafte
definite aangeschafte
partitive aangeschafts