Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

aanschouwd

  1. past participle of aanschouwen

DeclensionEdit

Inflection of aanschouwd
uninflected aanschouwd
inflected aanschouwde
comparative
positive
predicative/adverbial aanschouwd
indefinite m./f. sing. aanschouwde
n. sing. aanschouwd
plural aanschouwde
definite aanschouwde
partitive aanschouwds
Read in another language