Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgedrukt

  1. past participle of afdrukken

DeclensionEdit

Inflection of afgedrukt
uninflected afgedrukt
inflected afgedrukte
comparative
positive
predicative/adverbial afgedrukt
indefinite m./f. sing. afgedrukte
n. sing. afgedrukt
plural afgedrukte
definite afgedrukte
partitive afgedrukts