Open main menu

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

AdjectiveEdit

afgezonderd (comparative afgezonderder, superlative afgezonderdst)

  1. isolated

InflectionEdit

Inflection of afgezonderd
uninflected afgezonderd
inflected afgezonderde
comparative afgezonderder
positive comparative superlative
predicative/adverbial afgezonderd afgezonderder het afgezonderdst
het afgezonderdste
indefinite m./f. sing. afgezonderde afgezonderdere afgezonderdste
n. sing. afgezonderd afgezonderder afgezonderdste
plural afgezonderde afgezonderdere afgezonderdste
definite afgezonderde afgezonderdere afgezonderdste
partitive afgezonderds afgezonderders

AdverbEdit

afgezonderd

  1. in isolation

ParticipleEdit

afgezonderd

  1. past participle of afzonderen

InflectionEdit

Inflection of afgezonderd
uninflected afgezonderd
inflected afgezonderde
comparative
positive
predicative/adverbial afgezonderd
indefinite m./f. sing. afgezonderde
n. sing. afgezonderd
plural afgezonderde
definite afgezonderde
partitive afgezonderds