belijdend

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

ParticipleEdit

belijdend

  1. present participle of belijden

DeclensionEdit

Inflection of belijdend
uninflected belijdend
inflected belijdende
positive
predicative/adverbial belijdend
belijdende
indefinite m./f. sing. belijdende
n. sing. belijdend
plural belijdende
definite belijdende
partitive belijdends