betekenisloos

DutchEdit

EtymologyEdit

From betekenis (meaning) +‎ -loos (-less).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈteː.kə.nɪsˌloːs/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧te‧ke‧nis‧loos

AdjectiveEdit

betekenisloos (comparative betekenislozer, superlative meest betekenisloos or betekenisloost)

  1. meaningless
    betekenisloze excusen
    meaningless excuses

InflectionEdit

Inflection of betekenisloos
uninflected betekenisloos
inflected betekenisloze
comparative betekenislozer
positive comparative superlative
predicative/adverbial betekenisloos betekenislozer het betekenisloost
het betekenislooste
indefinite m./f. sing. betekenisloze betekenislozere betekenislooste
n. sing. betekenisloos betekenislozer betekenislooste
plural betekenisloze betekenislozere betekenislooste
definite betekenisloze betekenislozere betekenislooste
partitive betekenisloos betekenislozers