Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

bruiken ‎(to make use of) +‎ -baar ‎(-able)

AdjectiveEdit

bruikbaar ‎(comparative bruikbaarder, superlative bruikbaarst)

  1. usable, neither unfit nor broken
  2. useful, which has a good use

InflectionEdit

Inflection of bruikbaar
uninflected bruikbaar
inflected bruikbare
comparative bruikbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial bruikbaar bruikbaarder het bruikbaarst
het bruikbaarste
indefinite m./f. sing. bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
n. sing. bruikbaar bruikbaarder bruikbaarste
plural bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
definite bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
partitive bruikbaars bruikbaarders

SynonymsEdit

AntonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit

Read in another language