DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch dijn, from Old Dutch thīn, from Proto-Germanic *þīnaz.

PronunciationEdit

DeterminerEdit

dijn

  1. (obsolete) your, thy
    • late 16th c., Philips Marnix van Sint Aldegonde, "Wilhelmus van Nassouwe", (modern, redacted version), couplet 7.
      Van al die mij bezwaren / en mijn vervolgers zijn, / mijn God, wil toch bewaren / den trouwen dienaar dijn; / dat zij mij niet verrassen / in hunnen bozen moed, / hun handen niet en wassen / in mijn onschuldig bloed!

Middle DutchEdit

EtymologyEdit

From Old Dutch thīn, from Proto-Germanic *þīnaz.

PronunciationEdit

DeterminerEdit

dijn

  1. thy, your (singular, informal)

Usage notesEdit

See usage notes for du.

DescendantsEdit

  • Dutch: dijn
  • Limburgish: dien

Further readingEdit