Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

doel + -loos

AdjectiveEdit

doelloos ‎(comparative doellozer, superlative meest doelloos or doelloost)

  1. aimless

InflectionEdit

Inflection of doelloos
uninflected doelloos
inflected doelloze
comparative doellozer
positive comparative superlative
predicative/adverbial doelloos doellozer het doelloost
het doellooste
indefinite m./f. sing. doelloze doellozere doellooste
n. sing. doelloos doellozer doellooste
plural doelloze doellozere doellooste
definite doelloze doellozere doellooste
partitive doelloos doellozers