gelijkzijdig

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

Germanic: gelijk 'equal, identical' + zijdig '-sided' (from zijde 'side' + -ig '-y')

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

gelijkzijdig ‎(not comparable)

  1. equilateral

DeclensionEdit

Inflection of gelijkzijdig
uninflected gelijkzijdig
inflected gelijkzijdige
comparative
positive
predicative/adverbial gelijkzijdig
indefinite m./f. sing. gelijkzijdige
n. sing. gelijkzijdig
plural gelijkzijdige
definite gelijkzijdige
partitive gelijkzijdigs

Derived termsEdit

Related termsEdit

Read in another language