Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

Blend of grim (grim) +‎ glimlach (smile).

PronunciationEdit

  • (file)

NounEdit

grimlach m (plural grimlachen, diminutive grimlachje n)

  1. a scornful, grim or bitter smirk
    • 1814, Adriaan Pieterszoon Loosjes, Het leven van Hillegonda Buisman: eene Hollandsche familie geschiedenis uit de zeventiende eeuw, vol. 2, A. Pz. Loosjes (selfpubl.), 38.
      Tusſchen beide ziet men wel eens een grimlachje bij zulke zwijgende perſonen, maar men weet naauwelijks of dat goedkeuring dan beſpotting beteekent.
      In both cases a subtle grim smirk is sometimes seen on the face of those silent people, but it is nigh impossible to know whether that indicates approval or scorn.