Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From houden (to retain) +‎ -baar.

PronunciationEdit

  • (file)

AdjectiveEdit

houdbaar (comparative houdbaarder, superlative houdbaarst)

  1. preservable
  2. tenable

InflectionEdit

Inflection of houdbaar
uninflected houdbaar
inflected houdbare
comparative houdbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial houdbaar houdbaarder het houdbaarst
het houdbaarste
indefinite m./f. sing. houdbare houdbaardere houdbaarste
n. sing. houdbaar houdbaarder houdbaarste
plural houdbare houdbaardere houdbaarste
definite houdbare houdbaardere houdbaarste
partitive houdbaars houdbaarders

Derived termsEdit