lijfeigen

DutchEdit

EtymologyEdit

From lijf ‎(body) +‎ eigen ‎(own, self).

PronunciationEdit

  • Hyphenation: lijf‧ei‧gen

AdjectiveEdit

lijfeigen ‎(comparative lijfeigener, superlative lijfeigenst)

  1. serfish, whose very bodily person is legally owned by a master

DeclensionEdit

Inflection of lijfeigen
uninflected lijfeigen
inflected lijfeigen
comparative lijfeigener
positive comparative superlative
predicative/adverbial lijfeigen lijfeigener het lijfeigenst
het lijfeigenste
indefinite m./f. sing. lijfeigen lijfeigener lijfeigenste
n. sing. lijfeigen lijfeigener lijfeigenste
plural lijfeigen lijfeigener lijfeigenste
definite lijfeigen lijfeigener lijfeigenste
partitive lijfeigens lijfeigeners

SynonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit

NounEdit

lijfeigen m ‎(plural lijfeigenen, diminutive lijfeigentje n)

  1. Obsolete form of lijfeigene ‎(serf whose body is legally owned by a master).