naamwoordelijk

DutchEdit

EtymologyEdit

From naamwoord +‎ -lijk.

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

naamwoordelijk ‎(not comparable)

  1. nominal

DeclensionEdit

Inflection of naamwoordelijk
uninflected naamwoordelijk
inflected naamwoordelijke
comparative
positive
predicative/adverbial naamwoordelijk
indefinite m./f. sing. naamwoordelijke
n. sing. naamwoordelijk
plural naamwoordelijke
definite naamwoordelijke
partitive naamwoordelijks