ongehoord

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

on- ‎(un-) +‎ gehoord ‎(heard)

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

ongehoord ‎(comparative ongehoorder, superlative ongehoordst)

  1. (literally) unheard-of
  2. shameful, reprehensible
  3. terrible, excessive

DeclensionEdit

Inflection of ongehoord
uninflected ongehoord
inflected ongehoorde
comparative ongehoorder
positive comparative superlative
predicative/adverbial ongehoord ongehoorder het ongehoordst
het ongehoordste
indefinite m./f. sing. ongehoorde ongehoordere ongehoordste
n. sing. ongehoord ongehoorder ongehoordste
plural ongehoorde ongehoordere ongehoordste
definite ongehoorde ongehoordere ongehoordste
partitive ongehoords ongehoorders
Read in another language