Open main menu

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

ontmoet

  1. first-, second- and third-person singular present indicative of ontmoeten
  2. imperative of ontmoeten

ParticipleEdit

ontmoet

  1. past participle of ontmoeten

DeclensionEdit

Inflection of ontmoet
uninflected ontmoet
inflected ontmoete
comparative
positive
predicative/adverbial ontmoet
indefinite m./f. sing. ontmoete
n. sing. ontmoet
plural ontmoete
definite ontmoete
partitive ontmoets