ontsluieren

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (de-, away) +‎ sluier (veil) +‎ -en.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈslœy̯.ər.ə(n)/
  • (file)

VerbEdit

ontsluieren

  1. (literally) To physically unveil, reveal
  2. (figuratively) To disclose, render public

InflectionEdit

Inflection of ontsluieren (weak, prefixed)
infinitive ontsluieren
past singular ontsluierde
past participle ontsluierd
infinitive ontsluieren
gerund ontsluieren n
present tense past tense
1st person singular ontsluier ontsluierde
2nd person sing. (jij) ontsluiert ontsluierde
2nd person sing. (u) ontsluiert ontsluierde
2nd person sing. (gij) ontsluiert ontsluierde
3rd person singular ontsluiert ontsluierde
plural ontsluieren ontsluierden
subjunctive sing.1 ontsluiere ontsluierde
subjunctive plur.1 ontsluieren ontsluierden
imperative sing. ontsluier
imperative plur.1 ontsluiert
participles ontsluierend ontsluierd
1) Archaic.

SynonymsEdit

AntonymsEdit