Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

uitgaand

  1. present participle of uitgaan

DeclensionEdit

Inflection of uitgaand
uninflected uitgaand
inflected uitgaande
comparative
positive
predicative/adverbial uitgaand
uitgaande
indefinite m./f. sing. uitgaande
n. sing. uitgaand
plural uitgaande
definite uitgaande
partitive uitgaands