uitgaan

AfrikaansEdit

EtymologyEdit

From Dutch uitgaan.

VerbEdit

uitgaan ‎(present gaan uit, present participle uitgaande, past participle uitgegaan)

  1. go out; exit

AntonymsEdit


DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

uit +‎ gaan

VerbEdit

uitgaan ‎(past singular ging uit, past participle uitgegaan)

  1. to go out
  2. to turn off
  3. to expire, to break up (of a relationship)

ConjugationEdit

Inflection of uitgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive uitgaan
past singular ging uit
past participle uitgegaan
infinitive uitgaan
gerund uitgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga uit ging uit uitga uitging
2nd person sing. (jij) gaat uit ging uit uitgaat uitging
2nd person sing. (u) gaat uit ging uit uitgaat uitging
2nd person sing. (gij) gaat uit gingt uit uitgaat uitgingt
3rd person singular gaat uit ging uit uitgaat uitging
plural gaan uit gingen uit uitgaan uitgingen
subjunctive sing.1 ga uit ginge uit uitga uitginge
subjunctive plur.1 gaan uit gingen uit uitgaan uitgingen
imperative sing. ga uit
imperative plur.1 gaat uit
participles uitgaand uitgegaan
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language