variëren

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

variëren ‎(past singular varieerde, past participle gevarieerd)

  1. to vary

ConjugationEdit

Inflection of variëren (weak)
infinitive variëren
past singular varieerde
past participle gevarieerd
infinitive variëren
gerund variëren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular varieer varieerde
2nd person sing. (jij) varieert varieerde
2nd person sing. (u) varieert varieerde
2nd person sing. (gij) varieert varieerde
3rd person singular varieert varieerde
plural variëren varieerden
subjunctive sing.1 variëre varieerde
subjunctive plur.1 variëren varieerden
imperative sing. varieer
imperative plur.1 varieert
participles variërend gevarieerd
1) Archaic.
Read in another language