voortbrengend

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

ParticipleEdit

voortbrengend

  1. present participle of voortbrengen

DeclensionEdit

Inflection of voortbrengend
uninflected voortbrengend
inflected voortbrengende
positive
predicative/adverbial voortbrengend
voortbrengende
indefinite m./f. sing. voortbrengende
n. sing. voortbrengend
plural voortbrengende
definite voortbrengende
partitive voortbrengends