werkzaam

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From werk +‎ -zaam.

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

werkzaam ‎(comparative werkzamer, superlative werkzaamst)

  1. operative
  2. hardworking
  3. employed
    Hij is werkzaam in een winkel.
    He is employed by a store.

DeclensionEdit

Inflection of werkzaam
uninflected werkzaam
inflected werkzame
comparative werkzamer
positive comparative superlative
predicative/adverbial werkzaam werkzamer het werkzaamst
het werkzaamste
indefinite m./f. sing. werkzame werkzamere werkzaamste
n. sing. werkzaam werkzamer werkzaamste
plural werkzame werkzamere werkzaamste
definite werkzame werkzamere werkzaamste
partitive werkzaams werkzamers

Derived termsEdit

Read in another language