DutchEdit

EtymologyEdit

From zuid +‎ Afrikaans.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌzœy̯t.aː.friˈkaːns/
  • (file)
  • Hyphenation: Zuid-Afri‧kaans

AdjectiveEdit

Zuid-Afrikaans (comparative Zuid-Afrikaanser, superlative meest Zuid-Afrikaans or Zuid-Afrikaanst)

  1. South African (pertaining to South Africa or South African people)

InflectionEdit

Inflection of Zuid-Afrikaans
uninflected Zuid-Afrikaans
inflected Zuid-Afrikaanse
comparative Zuid-Afrikaanser
positive comparative superlative
predicative/adverbial Zuid-Afrikaans Zuid-Afrikaanser het Zuid-Afrikaanst
het Zuid-Afrikaanste
indefinite m./f. sing. Zuid-Afrikaanse Zuid-Afrikaansere Zuid-Afrikaanste
n. sing. Zuid-Afrikaans Zuid-Afrikaanser Zuid-Afrikaanste
plural Zuid-Afrikaanse Zuid-Afrikaansere Zuid-Afrikaanste
definite Zuid-Afrikaanse Zuid-Afrikaansere Zuid-Afrikaanste
partitive Zuid-Afrikaans Zuid-Afrikaansers

Related termsEdit

Proper nounEdit

Zuid-Afrikaans n

  1. (colloquial) The Afrikaans language (avoided by specialists).
    Synonym: Afrikaans