beeldhouwen

DutchEdit

EtymologyEdit

beeld + houwen (compare heawan)

PronunciationEdit

  • (file)
  • Hyphenation: beeld‧hou‧wen

NounEdit

beeldhouwen n ‎(uncountable)

  1. (the art of) sculpture

VerbEdit

beeldhouwen ‎(past singular beeldhouwde, past participle gebeeldhouwd)

  1. to carve

ConjugationEdit

Inflection of beeldhouwen (weak)
infinitive beeldhouwen
past singular beeldhouwde
past participle gebeeldhouwd
infinitive beeldhouwen
gerund beeldhouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beeldhouw beeldhouwde
2nd person sing. (jij) beeldhouwt beeldhouwde
2nd person sing. (u) beeldhouwt beeldhouwde
2nd person sing. (gij) beeldhouwt beeldhouwde
3rd person singular beeldhouwt beeldhouwde
plural beeldhouwen beeldhouwden
subjunctive sing.1 beeldhouwe beeldhouwde
subjunctive plur.1 beeldhouwen beeldhouwden
imperative sing. beeldhouw
imperative plur.1 beeldhouwt
participles beeldhouwend gebeeldhouwd
1) Archaic.
Read in another language