Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

beheerst ‎(comparative beheerster, superlative meest beheerst or beheerstst)

  1. restrained

InflectionEdit

Inflection of beheerst
uninflected beheerst
inflected beheerste
comparative beheerster
positive comparative superlative
predicative/adverbial beheerst beheerster het beheerstst
het beheerstste
indefinite m./f. sing. beheerste beheerstere beheerstste
n. sing. beheerst beheerster beheerstste
plural beheerste beheerstere beheerstste
definite beheerste beheerstere beheerstste
partitive beheersts beheersters

Derived termsEdit

Related termsEdit

VerbEdit

beheerst

  1. second- and third-person singular present indicative of beheersen
  2. (archaic) plural imperative of beheersen

ParticipleEdit

beheerst

  1. past participle of beheersen

InflectionEdit

Inflection of beheerst
uninflected beheerst
inflected beheerste
comparative
positive
predicative/adverbial beheerst
indefinite m./f. sing. beheerste
n. sing. beheerst
plural beheerste
definite beheerste
partitive beheersts