beheersen

DutchEdit

EtymologyEdit

be- +‎ heersen

PronunciationEdit

  • IPA(key): [bə.ˈɦɪːr.sə(n)]
(file)
  • Hyphenation: be‧heer‧sen

VerbEdit

beheersen ‎(past singular beheerste, past participle beheerst)

  1. to control, master

ConjugationEdit

Inflection of beheersen (weak, prefixed)
infinitive beheersen
past singular beheerste
past participle beheerst
infinitive beheersen
gerund beheersen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beheers beheerste
2nd person sing. (jij) beheerst beheerste
2nd person sing. (u) beheerst beheerste
2nd person sing. (gij) beheerst beheerste
3rd person singular beheerst beheerste
plural beheersen beheersten
subjunctive sing.1 beheerse beheerste
subjunctive plur.1 beheersen beheersten
imperative sing. beheers
imperative plur.1 beheerst
participles beheersend beheerst
1) Archaic.

Related termsEdit

Read in another language