betrouwbaar

DutchEdit

EtymologyEdit

From betrouwen +‎ -baar.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈtrɑu̯ˌbaːr/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧trouw‧baar

AdjectiveEdit

betrouwbaar (comparative betrouwbaarder, superlative betrouwbaarst)

  1. trustworthy, reliable

InflectionEdit

Inflection of betrouwbaar
uninflected betrouwbaar
inflected betrouwbare
comparative betrouwbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial betrouwbaar betrouwbaarder het betrouwbaarst
het betrouwbaarste
indefinite m./f. sing. betrouwbare betrouwbaardere betrouwbaarste
n. sing. betrouwbaar betrouwbaarder betrouwbaarste
plural betrouwbare betrouwbaardere betrouwbaarste
definite betrouwbare betrouwbaardere betrouwbaarste
partitive betrouwbaars betrouwbaarders

Derived termsEdit