Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch bēsich, from Old Dutch *bisig, from Proto-Germanic *bisigaz.

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

bezig (comparative beziger, superlative bezigst)

  1. busy, occupied
    Hij kan nu niet praten. Hij is bezig.He can not talk right now. He is busy.

InflectionEdit

Inflection of bezig
uninflected bezig
inflected bezige
comparative beziger
positive comparative superlative
predicative/adverbial bezig beziger het bezigst
het bezigste
indefinite m./f. sing. bezige bezigere bezigste
n. sing. bezig beziger bezigste
plural bezige bezigere bezigste
definite bezige bezigere bezigste
partitive bezigs bezigers

Derived termsEdit