destijds

DutchEdit

EtymologyEdit

Univerbation of des +‎ tijds.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /dɛsˈtɛi̯ts/
  • (file)
  • Hyphenation: des‧tijds
  • Rhymes: -ɛi̯ts

AdverbEdit

destijds

  1. then (at that time)
    Vollenhove wordt al in 936 vermeld als 'Fulnaho'. Het gebied was destijds een woud dat eigendom was van Otto de Grote.[1] — Vollenhove was already in 936 mentioned as 'Fulnaho'. The region was at that time a forest that was the property of Otto the Great.

See alsoEdit