Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From duren +‎ -zaam.

PronunciationEdit

  • (file)

AdjectiveEdit

duurzaam (comparative duurzamer, superlative duurzaamst)

  1. durable
  2. sustainable

InflectionEdit

Inflection of duurzaam
uninflected duurzaam
inflected duurzame
comparative duurzamer
positive comparative superlative
predicative/adverbial duurzaam duurzamer het duurzaamst
het duurzaamste
indefinite m./f. sing. duurzame duurzamere duurzaamste
n. sing. duurzaam duurzamer duurzaamste
plural duurzame duurzamere duurzaamste
definite duurzame duurzamere duurzaamste
partitive duurzaams duurzamers