jaarlijks

DutchEdit

EtymologyEdit

jaar +‎ -lijks

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

jaarlijks ‎(not comparable)

  1. yearly, annual

DeclensionEdit

Inflection of jaarlijks
uninflected jaarlijks
inflected jaarlijkse
comparative
positive
predicative/adverbial jaarlijks
indefinite m./f. sing. jaarlijkse
n. sing. jaarlijks
plural jaarlijkse
definite jaarlijkse
partitive jaarlijks

AdverbEdit

jaarlijks

  1. annually, every year
Read in another language